| Mythes in het onderwijs |
| dinsdag 28 juni 2011 08:19 |
|
'Het niveau van het Nederlandse onderwijs daalt', 'Scholen zijn leerfabrieken geworden', 'Leraren verdienen te weinig' en 'De werkdruk in het onderwijs is te hoog': in de editie van 27 juni 2011 ontzenuwt Trouw de hardnekkigste mythes. Hieronder de belangrijkste weerleggingen:
Mythe 1 Het niveau keldert Volgens het Pisa-rapport dat Van Bijsterveldt aangreep om haar actieplannen te lanceren, dalen de prestaties van Nederlandse leerlingen van vijftien jaar licht. Maar, relativeren de onderzoekers, in sommige vakken is de daling zo licht dat er nauwelijks conclusies aan verbonden kunnen worden; het kan best zijn dat de lagere scores zijn veroorzaakt door toevalligheden in de steekproef. Op de ranglijst voor wiskunde, bijvoorbeeld, staat Nederland nu elfde. Drie jaar eerder stond Nederland nog vijfde, en dat líjkt een forse daling. Maar bij nader inzien blijkt dat Nederland onder meer is ingehaald door twee landen die drie jaar geleden niet meededen in het Pisa-onderzoek; zonder die twee zou dus opnieuw de top-tien gehaald zijn. Belangrijker nog is een voorbehoud dat de onderzoekers zelf maken: de verschillen tussen nummer zes op de ranglijst (Finland) en nummer dertien (Nieuw-Zeeland) zijn zó klein dat alle landen ertussen in feite ex aequo op plek zes staan. Waar komen dan al die opmerkingen vandaan, bijvoorbeeld van universiteiten en hogescholen, dat jongeren met een havo- of vwo-diploma op zak tegenwoordig niet meer kunnen spellen en rekenen? Of die waarneming klopt en of het vroeger inderdaad beter was dan nu, blijkt uit geen enkel onderzoek. Vast staat wel dat havisten en vwo'ers tegenwoordig meer vakken op hun rooster hebben dan tot en met de jaren negentig. Omdat ze niet meer tijd besteden aan hun schoolwerk, ligt het voor de hand dat ze per afzonderlijk vak een lager niveau halen. Ze weten dus minder over meer. Uit het Pisa-onderzoek blijkt ook dat de prestaties van meisjes dalen, die van jongens nauwelijks. En in het Nederlandse voortgezet onderwijs staan minder uren wiskundeles op het rooster dan elders. Kun je dus beweren dat het onderwijs aan meisjes slechter is geworden en dat aan jongens niet? Of dat Nederland het uitstekend doet, met goede resultaten in minder tijd? Verstandiger is waarschijnlijk de conclusie: onderwijs is te ingewikkeld voor sweeping statements over stijgend of dalend niveau.
Mythe 2 Scholen zijn leerfabrieken gewordenDat scholen de afgelopen jaren grootschaliger geworden zijn, klopt maar ten dele. Het WODC schermt met een grafiekje over het voortgezet onderwijs: het aantal scholen met meer dan tweeduizend leerlingen zou in tien jaar tijd tweeënhalf keer zo groot zijn geworden. Een verwarrend grafiekje, want het geeft niet het leerlingenaantal per school-vestiging weer, maar het aantal per school-bestuur. En dat cijfer doet er niet toe voor wat het WODC wil betogen; niet alle leerlingen die onder één bestuur vallen, hebben immers interactie met elkaar. Hoe zit het dan wel? De afgelopen jaren zijn veel schoolbesturen met elkaar gefuseerd. Elk bestuur heeft daardoor inderdaad meer scholen onder zich, en dus ook meer leerlingen. Maar het aantal leerlingen per vestiging is vrij stabiel. In het basisonderwijs ligt dat al jaren rond de 220. In het voortgezet onderwijs steeg het van 618 in 1999 naar 729 in 2007, maar sindsdien is het weer licht gedaald. 'Leerfabrieken' met meer dan tweeduizend leerlingen in één gebouw zijn, anders dan het WODC suggereert, nog steeds uitzonderlijk. Dat neemt niet weg dat ook schaalvergroting op bestuurlijk niveau schaduwkanten heeft: bestuurders dreigen ver af te drijven van de dagelijkse schoolpraktijk of gedragen zich als heersers in hun eigen koninkrijkjes. Dat dat gevaar niet denkbeeldig is, blijkt uit de gebeurtenissen op de Hogeschool Inholland, waar bestuurders negen ton verspilden, grotendeels aan extra's voor zichzelf.
Mythe 3 De lerarensalarissen zijn schandalig laag Klopt dat? Wat verdient een leraar eigenlijk, vergeleken met anderen? Dat blijkt mee te vallen. Net afgestudeerde hbo'ers in de gezondheidszorg en de techniek, bijvoorbeeld, verdienen meer dan beginnende leraren. Maar wie met een hbo-opleiding economie aan de slag gaat, moet het juist met minder doen dan de jonge leraar. Nu is het verhaal van de leraar steeds: onze beginsalarissen zijn in orde, maar in de loop van onze carrière gaan we steeds verder achterlopen bij andere hoogopgeleiden. Maar precieze cijfers daarover zijn schaars. Uit gegevens van onderzoeksinstituut SEO (verbonden aan de Universiteit van Amsterdam) blijkt dat vooral academisch opgeleide leraren in het voortgezet onderwijs inderdaad flink achterlopen bij academici in andere beroepen. Ook basisschoolleraren hebben reden zich achtergesteld te voelen. Maar voor tweedegraads leraren in het voortgezet onderwijs geldt dat nauwelijks. Maar die SEO-cijfers stammen uit 2004 - vergelijkbare cijfers van recentere datum zijn er niet - en sindsdien zijn de vooruitzichten voor leraren flink verbeterd. Dankzij het Actieplan Leerkracht van het vorige kabinet kan een leraar in de hoogste salarisschaal voor het voortgezet onderwijs tegenwoordig uitkomen op 4962 euro bruto per maand. Weliswaar zit slechts 17 procent van de leraren in die hoogste schaal, maar afgesproken is dat dat percentage binnen een paar jaar stijgt tot 29.
Mythe 4 De werkdruk is enorm Leraren werken inderdaad hard, blijkt uit de nationale enquête arbeidsomstandigheden van TNO en het Centraal Bureau voor de Statistiek. Samen met de horeca en de financiële wereld is het de sector waarin werknemers het vaakst onder tijdsdruk werken of te veel werk op hun bord krijgen. Een fulltime-leraar moet volgens de cao 1659 uur per jaar werken. In zijn contract staat vaak dat hij daarvoor zo'n 37 uur per week moet werken. Om aan 1659 uur te komen, moet hij dus 45 weken werken. Maar de praktijk is anders. Vooral in het voortgezet onderwijs komen scholen vaak aan niet meer dan 38 weken waarin les gegeven wordt - en dus blijven er 14 weken 'vrij' over. Uiteraard werkt een leraar ook in lesvrije weken: het schooljaar moet opgestart worden en afgesloten, er is nakijkwerk te doen enzovoort. Daarmee komen leraren nog steeds niet aan de voorgeschreven 1659 uur. Die halen ze door in hun werkweken ruimschoots meer te werken dan de 37 uur die in hun contract staat. In topweken werken fulltime leraren vaak wel vijftig uur. Het is die piekbelasting die het werk zwaar maakt. Maar werken leraren bovenmatig hard? Nou nee, ook dat valt dus mee. Ga voor het volledige artikel naar: www.trouw.nl
|




